A. is een oude man geworden. Zijn huid is bijna wit en doorsneden door diepe groeven en rimpels. Zijn haar is vol en wit, op een door teer geblondeerd plekje op zijn voorhoofd na. Zijn handen trillen als hij de koffie inschenkt. In een ander tijdperk was hij een gevierd fluitist. Hij ging op internationale tournees en verkocht vele platen. Maar zijn succes mocht niet lang duren. Hij was nog een jongeman toen er geen platen meer verschenen en hij niet meer optrad. Er schijnt een meisje in het spel te zijn geweest. Zijn hart was gebroken en zijn carrière ook. Hij is er echter niet minder om geliefd geworden. Hij is de liefdevolle, charmante en bijzonder geestige oom gebleven voor velen. Nog op zeventigjarige leeftijd bekoorde hij jongere dames, hoewel hij er niets mee deed. Hij is alleen gebleven.Na zijn muzikale carrière heeft A. in een psychiatrische inrichting gewerkt als verzorger. Nog meer dan van muziek, hield hij van mensen.
“Zeg S. hoe gaat ie nou jongen!”
Ik kijk hem aan. Zijn oude blanke huid doen zijn ogen nog levendiger en jonger uitkomen.
“Ik ben in Noorwegen en IJsland geweest. Wist je dat in Noorwegen sommige trollen vriendelijk zijn, maar dat in IJsland alle trollen verschrikkelijk zijn. Ze peuzelen kinderen op en zo.”
A. moet hard lachen. Hij verslikt zich haast in het hoesten.
“Dit is het beste wat je mij ooit verteld hebt.”
“In Noorwegen worden trollen namelijk gezien in bomen, daar zitten aardige en minder aardige exemplaren bij. Op IJsland zijn er geen bomen. Alleen maar rotsen en vuur. Daar valt weinig vriendelijkheid in te ontdekken”.
“En ben je nog actief bij je kerk?”
A. was niet gelovig. Ik heb een tijd lang in onze gesprekken altijd aangestuurd op het onderwerp. A. vond het wel amusant. Mijn missiedrang als pas bekeerd Christen was voor hem een soort van jonge hondengedrag. De jeugd heeft immers altijd wel behoefte aan een of andere revolutie; een of ander hoogverheven doel. Het stoorde mij een beetje dat hij er zo over dacht, misschien omdat hij gelijk had. Ik antwoordde ontwijkend.
“Toen ik nog bij E. (de psychiatrische inrichting) werkte, was een van de patiënten een boom ingeklommen. De man dacht dat hij Jezus was. Paniek was het. Het personeel en andere patiënten stonden onder de boom en riepen dat hij naar beneden moest komen, dat het gevaarlijk was. Maar de man hield vol. Hij zou niet de boom uitkomen voordat God tot hem had gesproken. In de boomtop was er niets tussen hem en God dan alleen de lucht. Zo bleef het voor een hele tijd. Totdat een andere patiënt uit het gebouw gerend kwam, ‘God aan de telefoon! God aan de telefoon!’ Zonder te aarzelen klom de man die dacht dat hij Jezus was uit de boom”.
A. schatert het uit en kijkt mij aan met zijn pretogen waarna hij weer een sigaret opsteekt. Ik lach terug en wens dat ik net zoals hem word als ik zeventig ben.
Jezus,verhaal,leven,God
1 comment:
LOL! Why Jesus? Why not Ataturk?! X)
Post a Comment